Historie: 200 jaar stadsrechten

18 april 1809: Koning Lodewijk Napoleon verheft Tilburg tot stad


Lodewijk Napoleon komt op 17 april op bezoek in Tilburg. Hij logeert bij de lakenfabrikant Martinus van Dooren (1756-1811) in diens 'kasteeltje' aan de Nieuwe Dijk (Bisschop Zwijsenstraat). Daar tekent hij daags daarna het besluit waarin hij Tilburg tot stad verheft. Daarom heet deze straat nu de Stadsstraat. Enkele weken daarna volgt het Koninklijk Besluit waarin een stedelijk bestuur wordt aangesteld bestaande uit een burgemeester, waartoe Martinus van Dooren wordt benoemd, en twee wethouders (de landbouwer/zaadhandelaar Adriaan van Gils en mr. Jan Baesten). De zes gecommitteerden worden nu Stedelijke Raad. Mr. Johannes Franciscus Josephus Baesten (1757-1823) was tussen 1796 en 1823 achtereenvolgens representant van Bataafs Brabant, volksvertegenwoordiger in Den Haag, wethouder, vrederechter en lid van Provinciale Staten.

Waarom kreeg Tilburg stadsrechten?

In het koninklijk decreet van 'den 18 van grasmaand van het jaar 1809', waarbij Tilburg 'onder de steeden van het rijk gerangschikt' werd, werden als redenen voor die eer genoemd 'de belangrijkheid van het dorp Tilburg' en het feit 'dat deszelfs bevolking meer dan 9000 zielen' bedroeg. Bij de eerste echte volkstelling in maart 1809 telde Tilburg 9465 inwoners, waarvan 9271 katholieken, 165 hervormden, 10 lutheranen, 14 joden 3 remonstranten en 2 doopsgezinden. De 'belangrijkheid van het dorp Tilburg', waarover koning Lodewijk Napoleon bij zijn stadsrechtverlening in 1809 sprak, zal voornamelijk gezocht moeten worden in de textielnijverheid, die de produktie van linnen, maar vooral van wollen stoffen omvatte. Door het wegvallen van de Engelse concurrentie ten gevolge van het continentaal stelsel in de Bataafse en Franse tijd en, vooral niet te vergeten, door de uitvoering van omvangrijke legerorders, heeft de Tilburgse textielindustrie,in deze overigens zo benarde periode, haar positie nog weten te versterken.

Wat betekende het voor Tilburg en haar inwoners om stadsrechten te krijgen?

De uitvoeringsbesluiten van de constitutie voor het koninkrijk Holland van 1806 verdeelden de gemeenten in twee klassen:

1. steden met ten minste 5000 inwoners waarin ook steden met tussen de 2000 en 5000 inwoners konden worden opgenomen;
2. alle overige gemeenten, waaronder ook de dorpen met meer dan 5000 inwoners.

Tilburg ging dus door de stadsrechtverlening over van de tweede klasse naar de eerste. Terwijl de gemeenten van de tweede klas de bestuursinrichting hielden die zij in 1806 hadden, werden voor de eerste klas bijzondere bepalingen gemaakt. Onder meer zouden de burgemeester, wethouders en vroedschapsleden hier door de koning worden benoemd. Artikel 2 van het decreet van 18 april 1809 aangaande de Tilburgse stadsrechtverlening luidde dan ook: 'De landdrost van het departement Braband zal ten spoedigsten aan den minister van binnenlandsche zaken een voorstel doen, behelzende eene nominatie ter vervulling der plaatsen van burgemeester, wethouder en vroedschappen der stad Tilburg, ten einde door ons benoemd te worden'. Het regime was zo geiinificeerd en gecentraliseerd dat van een zelfstandig gemeenteleven weinig sprake was. Het belang van het Tilburgs stadsrecht bestond dus toen uit de omstandigheid dat een beperkt aantal mannelijke ingezetenen door middel van een getrapte verkiezing enige invloed op de samenstelling van het stadsbestuur kon uitoefenen. Dat was al. Het voorrecht om stad te zijn veranderde nog niet in 1824, toen één reglement voor het bestuur van de 'steden' en één voor het 'platteland' werd vastgesteld. Tilburg kreeg ten gevolge daarvan één burgemeester, twee wethouders en een raad van achttien leden, die nog steeds voor het leven werden benoemd door een college van dertig kiezers. Stemgerechtigden – dus degenen die dit kiescollege kozen - waren de mannelijke ingezetenen die twaalf gulden of meer in de beschreven middelen betaalden. Op het platteland bleef de benoeming van de raadsleden door provinciale staten gehandhaafd, zij het dat het plaatselijk bestuur daarover eerst gehoord werd.